hollandganger

De roots van de familie Frugte ligt in Duitsland, met name het gebied rond Osnabrück. Johann Heinrich Früchte was één van de duizenden gelukszoekers van over de grens die in de 18e en 19e eeuw naar het westen trokken, naar het land van melk en honing.

Dat was Nederland in die tijd ook voor onze naaste oosterburen, want de landbouwgronden rond Osnabrück leverden voor de boeren en landarbeiders te weinig op om van te leven. De aarde was niet geschikt genoeg om al het zaad te laten kiemen. Vergeleken met andere delen van Duitsland had de akkerbouw een veel lagere opbrengst.

Dagloners gingen ander werk erbij doen. Turf steken bijvoorbeeld. Ambachten als klompenmaker, touwslager, timmerman of winkelier proberen uit te oefenen. Wie dacht dat de klompen iets typisch Nederlands is, heeft het mis. Ook in de gebieden rond Osnabrück werden klompen gemaakt. Huisvlijt, pure huisvlijt in de hoop dat het wat zou opleveren.

Johann Heinrich Früchte verliet op zeker moment zijn Heimat. Vermoedelijk in de periode tussen 1795 en 1799, mogelijk toen al met zijn latere vrouw, Margaretha Alida Opten, dochter van de voormalige Engelse infanterist Thomas Opten. Hoe zijn looproute liep valt niet te achterhalen en of hij meteen richting Linschoten trok, is ook niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk dat hij eerst naar Kampen trok, vandaar met boot naar Amsterdam om uiteindelijk in Linschoten te belanden. Voordat hij in Linschoten belandde, bleek Johan echter ook al in Loenen te wonen, samen met zijn toekomstige vrouw Margaretha.

Uiteindelijk kwamen hij en zijn vrouw Margaretha terecht in Linschoten, waar hij werk vond en als tuinman aan de slag kon voor het Huis te Linschoten. Als klompenmaker verdiende hij ook nog wat bij.

Schlingemann beschreef in zijn boekje Linschotengänger ( 1767-1829) hoe de tocht vanuit de omgeving van Osnabrück naar Linschoten mogelijk verliep:

 

De reis

Voorjaar 1804, het jaar waarin Napoleon tot keizer wordt gekroond, gaat Gerhard Friedrich Peterschlingmann, vanuit het dorpje Lienen met ongeveer 250 km voor de boeg, op reis. Deze tochten werden, gelet op de gevaren, zelden individueel uitgevoerd. Het was in die tijd algemeen bekend dat Todden, marskramers, kooplieden en Hollandgänger door deserterende soldaten (uit het Franse leger) of struikrovers belaagd konden worden. Zij waren dus niet geheel buiten gevaar, lopend op voornamelijk onverharde wegen van zand, leem of soms blubber, in een woeste landstreek met veelal onontgonnen gebied. Hooischuur, herberg of struikgewas zorgden indien nodig voor beschutting. Er waren ook de zogenaamde “Wanderarbeiters’, die zich al reizend en trekkend, middels loonwerk bij de boeren, van brood lieten voorzien. Het was immers voorjaar, dus aan landwerk bij de boeren ontbrak het niet. Maar ook is bekend van de ongeveer 350 tochten vanuit het dorpje Mettingen (20 km ten westen van Osnabrück), dat men de tocht in groepen van 30 tot 50 mannen onder aanvoering van een baas aanving.

Hannekemaaiers-01 Men marcheerde dan richting de stad Rheine en Bentheim over de Hollandse grens naar Oldenzaal. Het is niet uitgesloten dat men vanuit Lienen eerst naar Mettingen of naar Rheine liep om van daaruit met een grote groep mee te marcheren naar Holland. In het jaar 1806, als Lodewijk nog koning van Holland is, werden in die streek alleen al 2766 ‘auswanderende Hollandgänger’ geteld. Uiteindelijk komend vanuit het Oosten trekken ze door het Twentse land. Het moet hen zijn opgevallen dat het net zo woest en armzalig was als in ‘die Heimat’. Mogelijk hebben ze zich afgevraagd waar die welvaart dan wel was? Op hun weg enkel heidevelden met schaapskuddes, gehoed door een herder die ook al zijn tijd vulde met het breien van kousen. Ook komen ze hier moerassen tegen, met hun verraderlijke veengebieden, die bij regen veranderen in een donkerbruine modderige dikke brij. Bij de rivier de IJssel, die zij moeten oversteken, zien zij aan de imposante ‘Landouwen’ (grote boerderijen), dat de welvaart zich dan toch begint af te tekenen. Maar ze zijn er nog niet. Eerst nog over de Veluwe waar nog tot voor enkele jaren wolven huisden, en dan moeten ze. na het silhouet van Amersfoort achter zich te hebben gelaten, nog dwars door het Gooi met alweer vele heidevelden. Allengs komt het einddoel in zicht. Na de Utrechtse moerassen bereiken ze de rivier de Oude Rijn en zien ze dat ook deze rivier vruchtbaar land en dus welvaart in dit gebied heeft gebracht.

En dan, ja hoor, eindelijk in de verte begonnen zich geleidelijk de contouren van de Woerdense graanmolen, de kerk, het kasteel en de Utrechtse poort aan de horizon af te tekenen. Bij Woerden aangekomen zakken ze langs het riviertje de Linschoten de laatste 3 kilometer in zuidelijke richting af naar het uiteindelijk doel: de heerlijkheid Linschoten.

Wie meer wil lezen, klik op de volgende link: F. Schlingmann – Hollandgänger

 

Please follow and like us:
Nederland, het land van melk en honing

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *