Klompen maken; vijf tot zes paar klompen per dag

Wie een folkloristische markt bezoekt zal ongetwijfeld wel eens langs de kraam van een klompenmaker zijn gekomen. Voor de toeristen leuk om te zien hoe een klomp handmatig wordt gemaakt. Natuurlijk worden die houten schoenen nu via machinale houtbewerkingsfabriekjes geproduceerd. Maar dat was vroeger anders. Het was puur handwerk. De vakbekwame klompenmaker produceerde vijf of zes klompen per dag afhankelijk van de lengte van zijn werkdag, vaak langer dan tien uur.

 

Een klomp is een houten schoeisel dat reeds sinds de oudheid bestaat en tijdens de Middeleeuwen in grote delen van Europa gedragen werd door vooral arbeiders en boeren. Een andere oude benaming is holleblok of holsblok.

Klompenmaker was een beroep wat in de achttiende en negentiende eeuw veel werd uitgeoefend, maar weinig opleverde. Vaak hadden de klompenmakers neveninkomsten nodig. In elk dorp waren wel een of meerdere klompenmakers te vinden, zo ook in Linschoten.

In de familie Frugte kwamen ook klompenmakers voor. Johann Heinrich Früchte, die naar Linschoten kwam, verdiende een deel van zijn brood met het maken van klompen, althans, zo werd eens in een artikel in Heemtijdinghe beschreven. In zijn overlijdensakte stond weer dat hij tuinman was. Beiden zal waar zijn geweest. Waar Johann vandaan kwam – omgeving Osnabrück – was klompenmaken een veel voorkomend beroep, dus zo vreemd was het niet dat hij ook in Linschoten probeerde met klompen maken inkomsten te verwerven. Ook zijn zoon Hendrik, geboren in 1803, was klompenmaker. In zijn huwelijksakte stond vermeld dat hij klompenmakersknecht was. Later, in geboorteaktes van zijn kinderen, werd hij als klompenmaker aangeduid. Ook een andere Fruchte, Albertus, geboren in 1846, was volgens diverse aktes een klompenmaker.


De klompenmakerij was geen vetpot. Veel klompenmakers hadden neveninkomsten nodig om rond te komen. Maar aan de andere kant had een klompenmaker ook niet veel nodig om klompen te kunnen produceren. Het materiaal was voorhanden (wilgen, populieren). Verder had de klompenmaker een trekzaag nodig, een kloofbeitel, wiggen, een kapbijl en een houten hamer. Verder gebruikte de klompenmaker nog speciale messen, dopbeitel en een dophamer.

Als werkbank diende een kapblok (snijblok).

Traditioneel worden klompen in een gele kleur gelakt, soms met eenvoudige versieringen die van plaats tot plaats verschillen. Vaak doen de versieringen aan schoenveters denken, alsof men de klomp op een schoen wil doen lijken. Door de week droeg men doorgaans ongeschilderde klompen. Bij de kerkgang was dat anders: mansklompen waren zwart geschilderd en vrouwsklompen naturel gelakt met een bloemmotief.

 De houtrestanten waren weer nuttig als brandhout, een bijkomend voordeel van het beroep van klompenmaker.

 

 

Please follow and like us:
Klompen maken geen vetpot

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *