De slag bij Boutersem, 12 augustus 1831, gedurende de Tiendaagse Veldtocht. De staf van de prins van Oranje bestaande uit bereden officieren verzameld voor een boerenhuis. In het midden staat de prins naast zijn paard dat gewond is geraakt, naast de prins majoor Hoyel. Rechts soldaten van de infanterie en een gewonde officier. In het verschiet het slagveld. ; Nicolaas Pieneman (1809-1860), olieverf op doek, 1833

De 10 dagen van Willem I

 

(Bron: Historisch Nieuwsblad. Auteur: Jaco Albers)

Groot is de verrassing in Europa als Nederland op dinsdag 2 augustus het net afgescheiden België aanvalt. De Verenigde Nederlanden waren het meesterwerk van koning Willem I, en hij kan de onafhankelijkheidsvoorwaarden niet verkroppen. Duizenden jongemannen pakken de wapens op. Niet dat men de Belgen terug wil, maar de geschonden eer moet worden gewroken. Was de Tiendaagse Veldtocht vooral een manifestatie van gekwetst zelfbewustzijn?

‘Neêrland’s Koning riep, te wapen! en alles vloog te wapen om den geleden hoon in het bloed der snoode muiters te wreeken.’ Woorden van Johannes Olivier, die in 1834 de Tiendaagse Veldtocht van drie jaar eerder beschreef en het verloop ervan bondig samenvatte: ‘In tien dagen tijds werden de opgeblazene, verwatene [vervloekte] en brooddronken Belgen op hunnen “eigen grond” door Nederlands op God en regt vertrouwende kloekhartige zonen verslagen.’

Op de loop der gebeurtenissen valt weinig af te dingen. Maar het is de ronkende partijdigheid die onze tenen doet krommen. Dit soort negentiende-eeuws patriottisme heeft er vast toe bijgedragen dat latere waarnemers de gebeurtenissen in augustus 1831 van de weeromstuit zijn gaan ridiculiseren. De Tiendaagse Veldtocht werd een zinloos oorlogje van een koppige vorst die de tekenen van zijn tijd niet verstond.

Maar zo’n samenvatting doet de dramatische gebeurtenissen evenmin recht. De Nederlandse militaire overwinning maakte in Europa wel degelijk indruk, al was dat mede te danken aan de zwakte van de Belgen. En de veldtocht beroerde natuurlijk Nederland zelf. Een hele generatie werd erdoor getekend. Met duizenden tegelijk hadden jonge mannen al dan niet vrijwillig de wapens opgepakt en maanden, soms jaren in legerkampen gelegen en oorlog gevoerd. Tot diep in de jaren tachtig hielden de veteranen reünies van hun onderdelen.

De Belgische Opstand

Als in 1830 de Belgische Opstand uitbreekt, is de vereniging met de Belgen onder koning Willem I pas vijftien jaar oud. Het is geen gelukkig huwelijk. Vooral de Belgische elite heeft moeite met de politieke, economische en godsdienstige dominantie van Holland. Klachten waarvoor de autoritaire koning zich tamelijk ongevoelig toont. Nederlandse troepen die de orde proberen te herstellen, moeten smadelijk de aftocht blazen. Voor de koning zijn de druiven zuur. De Verenigde Nederlanden zijn niet minder dan zijn levenswerk en hij vreest voor zijn troon als de omvang van Nederland wordt teruggebracht tot die van de oude Republiek.

Toch stemt Willem I in januari 1831 in met een scheiding langs de oude grenzen – voorwaarden die zijn overeengekomen tijdens een internationale conferentie in Londen. Er is echter een probleem: de Belgen gaan niet akkoord. Zij azen op Zeeuws-Vlaanderen, Limburg en Luxemburg. Bovendien eisen ze een gunstiger verdeling van de staatsschuld.

De conferentie in Londen doet concessies aan de Belgen, maar met die nieuwe boedelscheiding kan Willem niet leven. Als prins Leopold van Saksen Coburg het nieuwe akkoord wel aanvaardt en zich op 21 juli 1831 in Brussel laat inhuldigen als Koning der Belgen, beschouwt Willem dat als vijandelijke daad. Hij stelt een ultimatum.

Militair heeft Nederland niet stilgezeten. Vanaf oktober heeft de koning vrijwilligers en ‘schuttersplichtigen’ opgeroepen en naar de grenzen met België laten marcheren. Dat zorgt voor gemor, maar er is ook enthousiasme onder de bevolking in het Noorden. Vele studenten melden zich aan. Niet dat men de Belgen terug wil – integendeel –, maar de geschonden eer moet worden gewroken.

Het vaderland wordt bezongen en de geestdrift aangewakkerd door de zelfmoordactie van Jan van Speyck. Die blaast in februari in Antwerpen zijn kanonneerboot op als die door Belgen wordt gekaapt. De realiteit van het soldatenleven is minder heroïsch. De winter is voor de troepen aan de grens buitengewoon streng, het wachten duurt eindeloos en de vele inspecties lijken zinloos.

De Nederlandse hoofdmacht bestaat uit zo’n 36.000 man, die in vier divisies over Noord-Brabant zijn verdeeld. Daar stellen de Belgen naar schatting 25.000 soldaten tegenover, gesplitst in een Schelde-leger bij Antwerpen en een Maas-leger rond Luik en Hasselt. Ze maken zich weinig zorgen. In juli wordt in het Brusselse parlement nog geroepen dat ‘enige soldaten op klompen en voorzien van stokken, voldoende zijn om de Hollanders te overwinnen’. De Europese mogendheden nemen het ultimatum van de Nederlandse koning evenmin serieus.

 

Ten aanval

Groot is dus de verrassing als Nederland in de vroege morgen van dinsdag 2 augustus overgaat tot de aanval. De legerleiding met opperbevelhebber kroonprins Willem en zijn broer Frederik heeft bedacht dat de Belgen zo lang mogelijk in onzekerheid moeten blijven over het doel van de opmars, die in eerste instantie op Luik en het Maas-leger is gericht. Daarom marcheert de eerste Nederlandse divisie vanuit Breda richting Antwerpen. Acties vanuit de Nederlandse citadel in de havenstad ondersteunen deze ‘schijnaanval’. De strategie werkt. Koning Leopold denkt met een aanval op Antwerpen te maken te hebben en houdt zijn troepen daar in de buurt.

Intussen trekken de drie andere divisies het hart van België in, spoedig gevolgd door de eerste divisie, waarvan de meeste bataljons nog ver voor Antwerpen rechtsomkeert maken. Grenspalen worden begroet met een luid ‘Hoera!’, zo vertellen soldaten in dagboeken. ‘De Belgen vlugten overal in allerijl,’ klinkt het vol optimisme.

Het is de hertog van Saksen Weimar die met zijn tweede divisie op weg naar Turnhout als eerste op tegenstand stuit. De hertog is nogal een ijzervreter en als de Belgen in de buurt van Ravels beginnen te schieten, springt hij van zijn paard en gaat hij samen met zijn brigadegeneraal voorop in de huis-aan-huisgevechten. Oliedom, zeggen sommige waarnemers nu. Hoe had het verder gemoeten als de divisie in één klap was onthoofd? Tijdgenoten als prins Willem denken daar anders over. Die avond schrijft hij aan zijn vader: ‘De Hertog van Saksen Weimar en de Kolonel Baggelaar hebben te voet aan het hoofd dezen aanval met uitstekenden moed geleid.’

De grootste vijand is die eerste dagen echter het weer. De onbewolkte augustusnachten zijn koud. De soldaten liggen in hun bivakken op vaak moerassig gebied te kleumen. En overdag is het extreem heet. Met zware bepakking maken ze lange marsen in de brandende zon, terwijl de aanvoer van vers water en voedsel slecht is geregeld.

De 30-jarige infanterist Floris Willem baron van Styrum is met de derde divisie vanuit Eindhoven lopend op weg naar Mol. In zijn dagboekje schrijft hij: ‘Van hier voortgaande was de hitte zeer ondragelijk zoodat vele schutters achterbleven, met gretigheid dronk men stinkend water uit de poelen in de heyde, geene boom verkoelde ons door zijne schaduw.’ Verscheidene schutters blijven dood op de weg achter.

De ontberingen leiden tot plunderingen. Vooral in Beringen, dat wordt veroverd door de vooruitgeschoven Leidsche Jagers. Zij verjagen een overmacht aan Belgen door met een list een grootscheepse aanval te veinzen. Maar dan vinden Nederlandse soldaten buiten Beringen het geplunderde lijk van een Jager: ‘Het was alsof wraakzugt iedereen bezielde,’ schrijft kapitein Cannegieter. ‘Binnen de stad gekomen, zag ik op welk eene wijze de studenten den dood van hunnen kameraad aan denkelijk geheel onschuldige burgers zochten te wreken en niet alleen studenten, maar soldaten en onze schutters vierden hier bot aan hunne plunder- en vernielzucht. Overal hoorde men het rinkink der ingebroken glazen, overal het bonzen op deuren en kasten.’

Al op de vierde dag van de veldtocht valt het centraal gelegen Diest zonder slag of stoot in handen van de hertog van Saksen Weimar. Toch maakt de veldtocht soms de indruk een dans te zijn van dove en blinde legerkorpsen die rondjes om elkaar heen draaien zonder elkaar tegen te komen. De Nederlandse bevelhebbers laten vaak na goede verkenners vooruit te sturen en de onderlinge communicatie verloopt traag.

Maar de Belgen zijn helemaal de kluts kwijt. Pas na drie dagen strijd begint het Leopold te dagen dat de Nederlandse hoofdmacht zich niet bij Antwerpen, maar in het midden van zijn land bevindt en wil hij Maas- en Schelde-leger verenigen om de indringer tot staan te brengen.

Generaal Daine van het Maas-leger heeft echter een tegengestelde order gekregen en trekt naar het noorden. Daar stuit hij bij toeval op de vierde Nederlandse divisie, de reservedivisie van generaal Cort Heyligers, die geheel uit vrijwillige schutterskorpsen bestaat en de taak heeft de linkerflank van de veldtocht te dekken. In een kalm tempo zijn die soldaten vanuit Eindhoven over de straatweg naar het zuiden gemarcheerd richting Hasselt.

Onder ‘het blijde Wilhelmus en een donderend hourah’ trekken ze het dorp door. Onderweg hadden ze al kennisgemaakt met Belgische soldaten bij Hechtel. De 20-jarige Bossche schutter Johannes Petrus van Blarkom beschrijft hoe huizen met schietende Belgen in brand worden geschoten: ‘Eenige vlugtenden werden neergelegd, anderen die in het gevaar geen keus konden doen, stierven eenen jammerlijken dood in de vlammen.’ Onder ‘het blijde Wilhelmus en een donderend hourah’ trekken ze het dorp door.

Op de grote heidevlakte buiten het plaatsje Houthalen zien de reservisten op zaterdag 6 augustus tot hun stomme verbazing plotseling de hoofdmacht van generaal Daine in slagorde opgesteld. Het leidt tot de eerste echte veldslag in deze oorlog. Daine valt aan, maar zonder overtuiging. Hij laat onderdeel voor onderdeel oprukken zonder massaal toe te slaan. Waarschijnlijk omdat hij niet weet dat zijn leger veel groter is.
De Nederlanders slaan elke aanval af, maar de gevechten zijn fel. Van Blarkom is door zijn munitie heen, ‘dood moei en de lippen geheel open en pijnlijk zijnde ten gevolge van het afbijten der patronen’. De Gelderse schutter Simon Proot voelt een klap tegen zijn schouder: ‘Ik bleef nog staan en gevoelde mijne wond, en zag toen dadelijk het gat waar de kogel doorgevlogen was, het bloed stroomde mij langs mijn ligchaam neder.’ Naar eigen zeggen verlaat Proot het slagveld met de pathetische woorden: ‘Wreek ons bloed, want ik kan niet meer.’

 

Er wordt man tegen man gevochten

 

De volgende dag vindt een nieuw treffen plaats, maar op een ander slagveld. Generaal Daine heeft nu toch de order gekregen naar Diest te marcheren om zich daar met het Schelde-leger te verenigen. Ten westen van Hasselt, bij Kermt, stuit zijn voorhoede op de voorhoede van de derde Nederlandse divisie. Er wordt man tegen man gevochten. Terwijl zijn compagnie nog aan het koken is, hoort kapitein Cannegieter ineens het bevel: ‘Het Friesch bataillon voor.’
Halsoverkop mengen de schutters zich in het verwarrende gevecht. Vriend en vijand duiken op uit de kruitdampen. De soldaten schieten ‘op goed geluk’ naar iedere plek waar vuur vandaan komt. ‘Den geheelen avond bleven wij zoo vechtende; wij avanceerden wel niet, maar retireerden evenmin.’
Bij het krieken van de dag blijken de Belgen verdwenen, terug richting Hasselt. Het opperbevel besluit de Limburgse hoofdstad aan te vallen. De derde divisie rukt op naar Curingen, dat wordt verdedigd door 600 tirailleurs. Volgens Van Styrum leidt de kroonprins de aanval persoonlijk. ‘De vijand zat achter struiken en heggen en retireerde gestadig, zoodat wij wel de kogels gewaar wierden, maar bijna niemand zagen.’

Als de Nederlandse troepen Hasselt vanuit het westen binnentrekken, blijken de soldaten van Daine de stad aan de zuidkant te hebben verlaten. ‘Nu besloot ik de achterhoede van het vijandelijk korps terstond te vervolgen en zoo mogelijk aan te tasten,’ schrijft de kroonprins aan de koning.

Zijn kanonnen zaaien dood en verderf in de Belgische gelederen, waarna de ruiters zich boven op de infanteristen storten. Dat lukt. De mobiele artillerie van generaal-majoor Boreel snelt door de stad en krijgt net buiten de stadspoorten de achterhoede van het Maas-leger in het vizier. Zijn kanonnen zaaien dood en verderf in de Belgische gelederen, waarna de ruiters zich boven op de infanteristen storten. De Belgen vluchten in grote wanorde. De 26-jarige Mor Winterswijk, schutter uit Voorthuizen: ‘Wij kwamen op een stuk land al waar heel den grond vol ransels en geweren lag die zij weg hadden geworpen om des te beter ontkoming te kunnen verkrijgen.’

Vol egards worden de Nederlandse prinsen op het stadhuis van Hasselt ontvangen. Nog maar acht dagen eerder was daar koning Leopold hulde gebracht. Hoe nu verder? Het Nederlandse opperbevel besluit op 9 augustus de steven te wenden naar het westen, naar Brussel.
Op dat moment is Leopold met zijn Schelde-leger op weg naar Diest om daar het Maas-leger te ontmoeten. De stemming is prima na berichten over een klinkende overwinning van generaal Daine bij Kermt. Het gerucht gaat zelfs dat de Belgen na een volksoproer op Java de macht hebben overgenomen. Als de bittere waarheid over de aftocht van Daine doordringt, besluit Leopold af te buigen naar Leuven. Daar moeten ze een Nederlandse mars op Brussel tegenhouden.

 

Franse opmars

 

Intussen is een Franse leger van 50.000 man de grens overgestoken om de Belgen te helpen. Leopold heeft tot het laatst gewacht met een verzoek, omdat hij de Nederlanders liever zelf verjaagt. Tegen de Fransen gaan we niet vechten, zo hebben de prinsen van hun vader te verstaan gekregen. Maar de geruchten over een Franse opmars zijn nog vaag. Ze besluiten de aanval op Leuven door te zetten.

Op 11 augustus nemen drie divisies de stad in de tang. De eerste divisie rukt vanuit het noorden op en maakt met zijn kanonnen een hoop slachtoffers onder de terugtrekkende Belgen. De derde divisie, die een dag eerder bij het plaatsje Bautersum nog was tegengehouden, stoot nu wel door. Daar wordt het paard onder de kroonprins weggeschoten. ‘Niets, niets met al!’ reageert hij: ‘Leg het zadel op een ander paard.’

De eerste divisie maakt met zijn kanonnen een hoop slachtoffers onder de terugtrekkende Belgen
Dan verschijnt er uit Leuven een Engelse gezant bij de prins, lord Russell. Die bevestigt de Franse opmars en roept op de strijd te staken. De kroonprins eist echter eerst de capitulatie van Leuven en zet de aanval voort. Intussen is de hertog van Saksen Weimar met zijn tweede divisie om de stad heen getrokken in een poging de vluchtwegen naar Brussel en Mechelen af te sluiten.

Vanaf de IJzerberg bestrijkt hij het westen van de stad. Belgische troepen die Leuven verlaten richting Brussel maken rechtsomkeert. Maar voor een colonne die de wijk neemt naar Mechelen zijn de Nederlanders net te laat. In een van de rijtuigen zit koning Leopold.

Leuven capituleert en de Nederlanders naderen de stad tot onder haar muren. Als een groep jagers een abdij in de buurt probeert te bezetten, beginnen veertig kanonnen van de wallen van Leuven op de wachtende Nederlanders te schieten. Dolle paniek. ‘Wáár men zijne oogen heen wendde,’ schrijft Cannegieter ‘overal zag men menschen en paarden vallen.’ Vijftig Nederlanders vinden de dood voordat het ‘misverstand’ wordt rechtgezet.

Op 12 augustus trekt de kroonprins met zijn troepen Leuven binnen. De vrijheidsboom wordt omgehakt, de stad bezet. ‘Wij hebben nu onze taak volbragt,’ deelt de kroonprins zijn soldaten mee. ‘Wij hebben gedaan wat Koning en Vaderland van ons eischten. Wij hebben gezegevierd over den vijand.’ Hij kondigt de terugtocht aan die is afgedwongen door de Fransen. ‘Met eere keeren wij terug naar onze oude grenzen.’ Aan Nederlandse kant zijn 131 militairen gesneuveld en 590 gewond; de Belgische cijfers zijn vergelijkbaar.

De Tiendaagse Veldtocht was ‘een manifestatie van boosheid en gekwetst zelfbewustzijn zonder duidelijk politiek doel’, oordeelde de Groningse historicus Kossmann. Toch was de militaire overwinning van Nederland op België niet zonder politieke gevolgen. In Londen kwamen nieuwe scheidingsvoorwaarden op tafel, die gunstiger uitpakten voor Nederland.

Leopold accepteerde ze, maar Willem I was nog niet tevreden. Hij volharde in zijn verzet en ging pas eind 1838 schoorvoetend akkoord. Intussen hield hij al die jaren een duur leger op de been. Het diplomatieke krediet dat de koning met de Tiendaagse Veldtocht had opgebouwd, verspeelde hij bijna net zo snel.

Meer weten

Er bestaat weinig moderne literatuur over de Tiendaagse Veldtocht. Goed gedocumenteerd en zeer leesbaar is De Tiendaagse Veldtocht. De Belgische Opstand 1830/1831 van Johan P. Nater (1980). In datzelfde jaar verscheen J.G. Kikkerts Bericht van de 10-daagse Veldtocht, waarin een voorvader van de auteur centraal staat, maar dat ook enige context biedt.

Nederlandse archieven bevatten tal van brieven en dagboeken van schutters die deelnamen aan de militaire operatie. Zo zijn de belevenissen van Floris Willem baron van Styrum (1801-1873) te vinden in zijn familiearchief in het Noord-Hollands Archief. Onderzoekers naar familiegeschiedenis hebben ook dagboeken online gezet. Zie daarvoor bijvoorbeeld www.vandervelde.net/1830/dagboek.htm.

Verder zijn er diverse dagboeken of belevenissen van specifieke onderdelen in druk verschenen. Bijvoorbeeld De Groninger Vrijwillige Flankeurs en de Belgische Opstand (1982), met een voorwoord van E.H. Kossmann. Voor een literaire interpretatie van de gebeurtenissen in 1831 valt te denken aan De heldeninspecteur van Atte Jongstra uit 2010.